| Irene, Ron, Lena en Vera: Sydney-Kangeroo Island, Australië |
|
Stadsverkenning We hebben weer flink wat afgewandeld vandaag. We begonnen met een bezoekje aan het ANZAC Memorial, een pompeus gebouw (dat me deed denken aan het voortrekkersmonument in Pretoria), dat met name de deelnemers aan de Eerste Wereldoorlog herdacht, maar meteen ook de actuelere oorlogen belichtte in de expositie binnen. We wilden onze benen wat sparen en namen daar de metro richting Harbour Bridge. We besloten meteen, dat dat niet voor herhaling vatbaar was. Het was een hele toer om zonder roltrap of lift beneden te komen, met meiden en buggy’s. Verder maakte de trein zelf een oude en wat vieze indruk.
We zijn de wijk The Rocks (gerestaureerde oude huizen, gered van de sloop) even in gelopen, omdat we het te nat vonden om de brug op te gaan. Na de regen zijn we alsnog aan de wandeling over de Harbour Bridge begonnen. Ik had gedacht, dat dat heel mooi zou zijn, maar eigenlijk viel het een beetje tegen. Het was er nogal lawaaierig door het verkeer dat er vlak langs raasde, en er was duidelijk erg veel moeite gedaan om zelfmoord te voorkomen, door erg veel prikkeldraad en stevige hekwerken te plaatsen, waardoor het mooie er wel een beetje af was. Hoe dan ook, hadden we nog steeds wel een mooi uitzicht op de haven en het Opera gebouw. Aan de overkant hebben de meiden even kunnen spelen in een speeltuintje, samen met een jongens-schoolklas die daar één minuut na ons heen kwam gerend. We kwamen langs een olympisch zwembad op weg naar het Lunapark; een pretpark, dat helaas gesloten bleek. Inmiddels was de zon goed doorgebroken en werd het warm.
We liepen verder langs een baaitje met jachten en later langs dure appartementen aan het water, tot we bij een opstappunt van de ferry kwamen (Mc Mahons Point). Daar konden we richting Darling Harbour varen, met het Maritiem Museum, waar Ron graag heen wilde. Het bleek inderdaad de moeite waard. We zijn samen door een onderzeeër gekropen, waar maar liefst 68 bemanningsleden in konden. Ongelofelijk, als je de kleine ruimte zag. Verder hebben we een replica van een VOC-schip (Duyfken) bekeken, en een groot oorlogsschip, dat overigens enkel voor opleidingen gebruikt is. In het museum zelf hebben we een bijzondere ‘watervoorstelling’(‘Aqua, a journey into the world of water’) bijgewoond, met water installaties, visuele effecten en een 360 graden projectie. Moeilijk uit te leggen, maar bijzonder! Via Chinatown zijn we teruggelopen naar ons hotel. In Chinatown hebben we uiteraard ook nog gegeten. Die kans lieten we natuurlijk niet liggen. De meiden waren duidelijk moe (ik ook trouwens). Minder momentje: Lena kreeg het voor elkaar, de hele tafel, inclusief twee flinke flessen met sojasaus en een bak met zout of suiker om te laten kiepen, waardoor het een flinke bende werd…
Nota bene bij het hotel om de hoek bleek nog een klein speeltuintje te zitten (speeltuintjes liggen hier duidelijk niet voor het oprapen), waar de meiden toch nog energie voor op konden brengen. Toen was het weer mooi geweest en hadden we er weer een goede dag Sydney op zitten. Nog één dag te gaan hier. Ik begin benieuwd te raken naar het ‘platteland’ hier, en naar wat Australië ons nog meer te bieden heeft. Zelf gedaan! Als wij ons bezeren door ons eigen toedoen dan krijgen we geen medelijden van onze meiden. Het commentaar luidt dan steevast: ‘Zelf gedaan!’. Daar kunnen we het dan mee doen…
Alarm We hadden prachtig weer vandaag, van begin tot eind strakblauwe lucht. We hebben een vrij beperkt programma ‘afgewerkt’, want de meiden waren duidelijk moe en niet voor een lange volle dag in de stemming. We begonnen wat later en hielden eerder op. We zijn naar een grote overdekte markt bij Chinatown geweest (Paddy’s Market) waar we wat fruit en T-shirts kochten (voor de meiden toch maar met een Dora- in plaats van een Australia-print erop!). Daar dichtbij zat het Powerhouse Museum, dat leuk zou zijn maar waar we verder niet zo goed van wisten wat het ons zou brengen. Het was er in ieder geval lekker koel, wat niet gek was tijdens de warmste uren van de dag. Er bleek in ieder geval een leuke speeltuin te zijn en een expositie over een populaire groep die kindermuziek maakt (Wiggles), waar ik eerder nog nooit van gehoord had. Dit vonden de meiden leuk en daar ging het dan ook nog goed. Daarna kwamen er afdelingen die voor ons leuk/ interessant waren, maar dat trokken de meiden niet meer. We besloten maar te gaan. In het Tumbalong Park bij Darling Harbour bleek een super mooie plek voor de meiden te zijn, met waterspeelparadijs, speeltuin en ijsjes. Dáár bleken ze toch een flinke portie energie te hebben. Vooral Vera ging weer helemaal ‘los’. Ze vond het geweldig om bovenop een fontein te gaan staan. Op een gegeven moment deed ze haar onderbroek uit en was daarmee de enige in de wijde omtrek, dus die hebben we haar toch maar weer aan gedaan. Ze leek echt niet te begrijpen, waar dát nou voor nodig was. Wij eigenlijk ook niet, maar ja.
Inmiddels liep de middag toch alweer aardig op zijn eind en zijn we terug naar het hotel gegaan. Ik heb in de straten bij het hotel eten bij elkaar gesprokkeld en dat hebben we op een kleedje op onze kamer opgegeten. Was gezellig. Morgenochtend vertrekken we weer richting luchthaven. Dit keer voor een binnenlandse vlucht, naar Adelaide. Morgen ‘krijgen’ we onze nieuwe camper al. Dat zal wel even wennen worden, omdat hij vrij klein is en geen toilet heeft maar wél een luifel, ‘buitenboord-gasfornuis’ en 4 wheel drive! Ben benieuwd! Tjonge, vers van de pers: Zojuist hebben we even ervaren waar het écht om draait in ons leven! Ineens zaten we met onze meiden nog in slaapzak, met knuffel en speen op de stoep van het hotel, zelf op blote voeten. Er was een (brand-)alarm wat erg beangstigend overkwam. Binnen mum van tijd liepen wij in het trappenhuis (vanaf de negende verdieping). Heel snel waren er twee brandweerauto’s en bleek het loos alarm. Maar toch. Ineens zijn al die spullen op onze kamer niet belangrijk meer. Gek toch…
We hebben ‘onze’ nieuwe camper en zijn hard bezig om er aan te wennen, en dat valt niet mee. Hij is vooral erg klein en we missen kleine (en grotere!) handigheidjes, die er best in zouden hebben gepast, maar die de camperbouwer blijkbaar niet nodig vond. Zo is er geen enkel haakje waar we iets aan op kunnen hangen, en bestaat de enige –best ruime- kast onder de gootsteen uit één grote kale ruimte, dus zonder planken of lades. Op deze manier hebben we er dus vrijwel niets aan, tenzij we een stellage maken met kartonnen dozen of zo. Tamelijk onbenullig. Verder hebben we gisteren getekend voor een schone camper. Nou, dat is ‘ie’ niet bepaald. Hij is duidelijk in de outback geweest waar héél veel rood stof was, en dat komen we dus werkelijk overal tegen. Kortom: het was geen liefde op het eerste gezicht. Daar staat tegenover, dat het auto-gedeelte lekker modern en nieuw is, dat de meiden daar lekker dichtbij (achter) ons zitten, en dat hij goed rijdt (en waarschijnlijk zuiniger is dan ons bakbeest in Nieuw Zeeland). Gisteren zijn we naar Adelaide gevlogen vanuit Sydney. De shuttle die we besteld hadden kwam redelijk op tijd, in de vorm van een busje zónder aanhanger dit keer. Hij werd bestuurd door een andere chauffeur, maar ook deze maakte geen erg vriendelijke indruk. Hij was van mening, dat we te veel bagage bij ons hadden, en dat we daar extra voor hadden moeten betalen. Hij noemde een bedrag van tien Australische Dollar. Toen Ron hem dat gaf werd hij wat vriendelijker, en mochten we toch mee. Het inchecken verliep vlotjes. De vlucht eveneens (vreemd: we kregen bij aankomst in Adelaide te horen dat er een hálf uur tijdsverschil met Sydney was), de bagage kwam ook heel snel. Helaas bleek Apollo (de camperverhuurder) geen transport te regelen (in tegenstelling tot United in Nieuw Zeeland), waardoor we een taxi moesten nemen. We pasten met onze bagage niet in een gewone taxi. Er moest een stationcar voor opgeroepen worden.
We kwamen gelukkig nog op tijd bij Apollo (ze zouden om half vijf sluiten) en werden daar goed ontvangen (er werd meteen een tekenfilm opgezet voor onze meiden en er was speelgoed). Bij bestudering van de camper bleek hij géén luifel te hebben terwijl we daar wel op gerekend hadden. Blijkbaar is dit één van de eerste auto’s van deze uitvoering (vierpersoons 4WD outback camper) en die hebben dat dus niet. Dat het een soort prototype is, blijkt uit wel meer (zie hierboven), alhoewel ik niet weet, of de nieuwere modellen wél haakjes en plankjes in hun kast hebben. Om toch een soort luifel (in zogenaamde ‘Gijzen-uitvoering’) te kunnen maken zijn we een paar honderd meter verderop een heel grote winkel in gedoken, om een zeil, bamboestokken (de tentstokken waren uitverkocht), touw en haringen te kopen. Láten ze daar nou een heel mooie speeltuin hebben met prachtige veelkleurige glijbanen (en super mooie kleine winkelkarretjes). De meiden waren er bijna niet weg te krijgen. Daarna bleek hun energie wel ongeveer op, wat natuurlijk ook niet verwonderlijk was na een dag met zoveel nieuwe ervaringen voor hen (alhoewel vliegen voor hen inmiddels al ‘gewoon’ lijkt te worden; zo vroeg Lena op een gegeven moment, wanneer het eten zou komen, maar daar deden ze niet aan op zo’n korte binnenlandse vlucht, tenzij we daar flink voor betaalden). Zij konden het eten in het Indiase restaurant dat we langs de weg vonden niet erg waarderen (in tegenstelling tot Ron en ik; heerlijk!). Toen we daarna óók nog boodschappen in de supermarkt daarnaast gingen doen was Vera ineens zó moe, dat ze alleen nog maar kon huilen en zelfs geen toetje meer wilde. Ze vielen allebei als een blok in slaap en we hebben hen later (vrijwel slapend) in hun nieuwe bed gelegd. Dat nieuwe bed stond in Aldinga, op een parkeerplaats bij het strand daar. Dat terwijl wild kamperen hier in Australië formeel verboden is (maar vaak wel gedoogd wordt). We waren keurig naar de camping in Christies Beach gereden maar kwamen daar zo laat aan, dat de receptie gesloten was en de slagboom niet open ging. Gelijk maar illegaal gedaan dus. We hadden de puf niet meer, om al onze spullen te herorganiseren. Het maken van een bed was al een hele klus. We hebben besloten, om de meiden boven te laten slapen, en daar ook onze tassen te laten staan. Wij slapen beneden op het bed dat overdag deels bank is. Het bed neemt het gehele vloeroppervlak beneden in beslag, waardoor we niet meer bij de (vrijwel zinloze) benedenkast en de koelkast kunnen, en je halsbrekende toeren uit moet halen om überhaupt de camper nog uit te komen. Dat laatste zal helaas ook ’s nachts moeten gaan gebeuren, omdat we geen toilet hebben in dit ding. Ik heb dan ook weer ‘wild’ moeten plassen gisteren en vanmorgen en ik heb opnieuw geconstateerd, dat ik het vreselijk vind. Ik krijg het niet voor elkaar, om droge voeten te houden (wat ik voel omdat ik Teva’s aan heb) door mijn gespetter. Ik zou natuurlijk in hoog gras kunnen gaan ‘zitten’ om dat probleem te ondervangen, maar er schijnen zich hier in Australië in hoog gras nog wel eens gevaarlijke dieren op te houden, zoals slangen. Vind ik toch niet zo’n prettig idee, om me daarin te begeven, zeker niet in het donker; daarbij zitten daar ook vast meer vliegende steek-beesten. Ik zal heel wat openbare toiletten gaan bezoeken de komende weken. Had ik maar een plasgootje meegenomen… (of hoe heet zo’n ding?). Wellicht ga ik eens een nog aan te schaffen trechter proberen. De eerste nacht was geen groot succes. Deels vanwege de wind (geluid, geklapper van het zeil van ons ‘dak’, geschud van de camper), deels vanwege onze illegale plek, deels vanwege enkele auto’s die ondanks het nachtelijke tijdstip toch ook naar die afgelegen plek kwamen en deels vanwege de vrij krappe slaapplek met de gladde slaapzakken die steeds afgleden. Vandaag weer mooi weer. Wel veel wind. We hebben buiten ontbeten; ging prima. We moeten bijna wel. Binnen blijken we geen tafel te hebben (wat ook anders is dan ik mij kan herinneren van het plattegrondje dat ik bij het boeken heb gezien). We zijn zuidwaarts gaan rijden, richting Cape Jervis, het vertrekpunt van de ferry naar Kangaroo Island. Al vrij snel leek het, of we de bewoonde wereld achter ons lieten en naar het eind van de wereld reden. Wat een kale, dorre, gele landschappen trokken voorbij. We zagen schapen door een kaal land lopen, met wat dorre grassprietjes. Ze zagen er tamelijk ondervoed uit. Ik vraag me af, of dat hier rond deze tijd van het jaar normaal is, of dat het met de uitzonderlijke warmte te maken heeft, die hier een maand geleden aan de orde was. Dat zal ik nog eens gaan vragen. Al rijdend belde ik Sealink, de rederij met veerboten van en naar Kangaroo Island, en reserveerde een boot voor drie uur ‘s middags. Iets beter geïnformeerd had ik niet naar waarheid gezegd dat onze meiden drie waren, maar had ze voor ‘bijna drie’ door laten gaan, want dat had veel geld gescheeld (tot nu toe hebben we echter heel veel mazzel gehad; vrijwel altijd kunnen onze meiden gratis mee en naar binnen…). Als we vannacht zouden overnachten op de camping in Penneshaw zouden we flinke korting krijgen op de (dure) overtocht, dus op die camping staan we nu, 200 meter van de aankomstplek. We realiseerden ons, dat we nog verdere boodschappen nodig hadden voor onze dagen op Kangaroo Island en begonnen ons wat zorgen te maken, want het leek er niet op dat we nog een flinke winkel zouden gaan vinden. Maar dat gebeurde gelukkig toch nog, en wel in Yankalilla, waar we dus flink insloegen. Daarna een speeltuin gezocht en gevonden. Daar kreeg ik de kans om wat orde in de camper aan te brengen, waardoor we nu toch een beetje uit de voeten kunnen en ook nog spullen kunnen terugvinden. Eenmaal op de boot werd omgeroepen, dat het op zee tamelijk ‘rocky’ zou worden en werd mensen die daar gevoelig voor zijn (Ron!) aangeraden om achterin de boot te gaan zitten. Dat advies hebben we snel opgevolgd. We namen ook nog snel anti-reisziekte-pillen in, maar achteraf had dat waarschijnlijk niet zoveel zin (had twee uur van te voren gemoeten!). Het werd inderdaad ‘rocky’ maar we hebben de (vrij korte, 45 minuten) boottrip goed doorstaan, en de meiden vonden dat gedein alleen maar mooi.
Eenmaal aangekomen zijn we niet gelijk naar de camping gereden maar hebben we nog een tochtje over deze hoek van het eiland gemaakt. Al vrij snel hield de verharde weg op en stond er een bordje ‘Only 4WD’. Dat was wel even leuk… laten we nou een 4WD hebben! Meteen uitgeprobeerd dus, en dat ging goed. Mooie weg tussen mooie bomen door, ik denk eucalyptusbomen. We zijn nog bij een riviertje geweest (waar de meiden stokken in gooiden) en op een mooi strand (waar ze meteen hun schoenen uit wilden doen wat niet mocht van ons, omdat we niet goed wisten of dat wel verstandig was). Ron heeft inmiddels navraag gedaan hier op de camping. Het schijnt, dat je hier veilig de zee in kan zonder risico’s te lopen. Verder zijn er wel gevaarlijke spinnen en slangen maar die zullen wij normaal gesproken niet tegenkomen. Goed, morgen mogen die schoentjes dus alsnog uit. De meiden hebben zich vanavond vlakbij de camping prima vermaakt op de betonnen hellingen die daar liggen voor fietsers en skaters (die er vanavond niet waren). Zij gebruikten de hellingen als glijbaan en werden daarbij heel vies, en hun eerder nog mooi witte broekjes, genaaid door oma Gijzen ook… Inmiddels liggen zij te slapen en is ons bed ook alweer zo goed als klaar. Het begint te wennen hier. Toch wel leuk… |





Krappe behuizing















Welkom op verrereizenmetkinderen.nl